
Het vluchtelingenkonvooi vertrekt vanuit Hólmavík naar Akureyri, een stad waar de mensen opnieuw een erkende taal spreken. Het traject kronkelt tussen uitgestrekte landschappen, opgebroken door scherpe bergen die de horizon belemmeren met hun duistere aanwezigheid in het zwakke avondlicht. Eerste bezienswaardigheid in Akureyri: een nachtwinkel met een blanke eigenaar. Zo ongewoon voor een West-Europeaan dat ik er niet op mijn gemak ben.
Het is al donker en de straten zijn gladgeregend als Guðmundur Óli Pálmason, de drummer van de IJslandse metalband Solstafir ons uit zijn bus flikkert. Inderdaad, IJslandse muzikanten zijn zo rijk dat ze hun eigen tourbus hebben. Dat er nu en dan toeristen op stranden tijdens het cruisen, kunnen ze enkel maar met minachting tolereren door ze af en toe om hun geld te vragen. We slepen onze rugzakken op de steile heuvel waar de universiteit gelegen is. Vanzelfsprekend voelen we ons meteen thuis tussen die lui die daar al eens een boek opengedaan hebben in hun leven, mniewaar…
Nadat de tenten er wat aanvaardbaar bijstaan, wagen we ons aan een nachtelijke patrouille door de stad. We stuiten op een nachtwinkel en zitten meteen aan de aanwezige voorraad voedsel. We betalen de blanke (!) en vriendelijke (!!) eigenaar en knisperen buiten wat met zakjes en flesjes zodat er in een mum van tijd een walmpje van zoutnootjes om ons heen hangt. ‘s Nachts kan de stad niet zodanig veel bieden, buiten een pizza ‘Mussolini’ in een eethuis niet ver van een alweer futuristisch kerkgebouw (of toch iets wat ze in de toenmalige Sovjetunie als futuristisch beschouwd zouden hebben).
Na enkele uren in onze tent gelegen te hebben, nodigde een verse ochtend ons uit om een duik te nemen in het openluchtzwembad van Akureyri. Het is een soort waterpretpark met thermische baden, een verwarmd sportbad, sauna’s, verwarmde ligvijvers, een plasbadje voor de kleinsten en een glijbaan zó spannend dat we er maar één keer zijn opgeweest. Op een bepaald moment ga je door een pikdonker gedeelte waardoor een claustrofoob zijn omgeving wel eens te lijf zou kunnen gaan na uitgebraakt te zijn door die buis. Ook vreemd is dat hier badmeesters door de kleedkamers marcheren om te controleren of je wel naakt genoeg bent onder de douche, want in IJsland gelden strenge hygiënische regels wat betreft zwembaden. Althans dat was hetgeen dat we te horen krijgen door die halfdicht geknepen strot van zo’n griezel.
Eens sufgedobberd begeven we ons in de stad. In het centrum laten we ons de geur van gebak en gebraad welgevallen. Onze doelloze slenteringen vertragen bij de haven waar een gigantisch cruise-schip aangemeerd ligt met de naam ‘Maasdam‘. Gefascineerd door de buitenaardse omvang en het elitaire charisma van het schip gaan Reizenaar en ik tot heel dichtbij. Onze tronies die onder elke gegeven situatie als verdacht en sinister overkomen lokken iemand van het veiligheidspersoneel die ons vraagt om uit de buurt van het gevaarte te blijven. Nog voor ik kan beginnen over hoe mijn lichaam een wapen op zich is staan we alweer aan de uitgang van de zone.
Nadien kuieren we verder van een cultureel centrum in opbouw dat in 2008 zou moeten afgewerkt zijn, naar een buurt met pittoreske houten huisjes. Voor één van die huisjes staat een old-timer die de voorbijganger even terug in de tijd werpt. Ook brengen we er een bezoekje aan een klein kerkje. Overal waar men gaat langs velden en wegen, komt men Rik Tammenaers tegen en Reizenaar ondertekent het opengeklapte gastenboek met diens naam. Uiteindelijk komen we weer bij de camping waar we ons gewillig laten afzetten door een veel de te duur warenhuis.
Na wat gegeten en gerust te hebben beslissen Piet en Reizenaar om één van de omliggende bergen te bestijgen. Een paar uur later hoor ik ze terug aansloffen bij het kamp. Verder dan een schier eindeloze berg gistend afval zijn ze niet geraakt. De stank was zo ondraaglijk dat ze beslist hebben om op hun stappen terug te keren vooraleer ze de voet van de berg bereikt hadden.
Na een nachtje rust is de ellendige tocht doorheen het stort vergeten en wachten we samen op de bus naar Fosshóll, vooral bekend voor zijn waterval: de Goðafoss. Aangezien Fosshóll relatief dicht bij Akureyri ligt zijn we vrijwel meteen ter plaatse. We zijn de enige op de bus die hier zullen verblijven. Er is al meteen een krachtige waterval te zien: de Geitafoss. De buschauffeur stopt er een vijftal minuutjes om de andere passagiers wat foto’s te laten nemen van de door hen veronderstelde ‘Goðafoss’, die in werkelijkheid een stuk verderop ligt. Na in alle rust ons tentzeil op het effen groen graspleintje gespannen te hebben, gaan we op stap om te kijken what the fuss is all about. We passeren de Geitafoss aan onze rechterkant en wandelen door tot we aan de stuivende watergordijnen van de Goðafoss zijn. We raken zo driftig van het dreunende lawaai en de vochtige nevel dat we de nabije rotsen op- en afklimmen. Daarbij laten we ons graag fotograferen voor het nageslacht, opdat zij ook de geboorte van het extreme team zouden kunnen aanschouwen.
Nadien zetten we de tocht stroomopwaarts verder langs dit gletsjerwater van de Vatnajökull. Het heuvelachtige landschap en de brede groene rivier doen denken aan het decor van een westernfilm. Om de die atmosfeer tot de top te drijven vermomt Reizenaar zich tot een rabiate indiaan door een lange veer in zijn IJslandse muts te prikken. Terug bij de tent verzamelen we enkele ansichtkaarten om onze coördinaten door te geven aan het Westelijk Front. Achteraf noopt een heldere hemel ons tot een schitterende wandeling langs de rivier, op een onverhard baantje naar een boerderij. Onderweg houden we halt aan een
kabelmechanisme om voorwerpen (of dieren?) over de rivier te krijgen. Als parate krijgers zien we hier meteen een commandobrug in en ik hijs me als eerste tegen die kabel aan. Na een drietal seconden laat ik alle ambitie zwetend in de grond vallen en we houden het bij onderzoekend kijken naar de kabels en wat gemorrel aan de hendel.
Ten slotte nemen we de laatste foto’s van Godafoss en Geitafoss in het avondrood en ritsen we de tenten dicht. Morgen gaan we naar Reykjahlið waar het Mývatn-meer zijn opwachting maakt.

Geitafoss in Fosshóll, IJsland. ©2007 Piet Goethals







8 Comments
X-treme-team Germany werd laatst gespot toen ze amok maakten in de wachtrij voor het Scorpions optreden in Keulen.
Had die arme man de haarmat gewoon afgegeven aan die camouflagebroek, dan was er niks gebeurd.
Dichter dan Kopenhagen en Stockholm zijn we nog niet geraakt, maar IJsland staat al eeuwen hoog in ons lijstje van ‘places to see’. Het komt er nog wel eens van. Bedankt voor het fijne verslag en de foto’s!
Met graagte.
ik val in herhaling, maar ‘t leest al ‘n trein, ‘t is grappig, ‘t doet ne mens goeste krijgen en ‘t is geen reisverslag van Bill Bryson.
Sterk stukje.
Dank je wel, dvlmn, altijd much appreciated!
Goedverdoemme, waar kan ik tekenen om mee te gaan met zo’n tocht door IJsland?
We kunnen dit niet meer overdoen, daar we door de niet-geslaagden voor de toelatinsgproeven van deze reis voor het Europees tribunaal voor de mensenrechten in Straatsburg worden gesleept.
De mietjes