
Goed, Schluss met dat eindeloos geguts van de Godafoss-waterval. De volgende punaise op de bestemmingskaart staat pal boven het meer Mývatn geprikt. Tijdens deze fase van de reis zullen we ons enkele malen echt doorzeikt in onze tenten hijsen. Misschien wel één van onze meest indrukwekkende plaatsen waar we aangelegd zijn. Vulkanen, heetwaterbronnen, blobberende modderputten, stoompokken en de krachtigste waterval van Europa (met inbegrip van Vaticaanstad).
Na een groot uur rijden worden we in Reykjahlíð verwelkomd door een vochtige, strakke wind. Het heeft zowel zijn voor- als nadelen tijdens het opzetten van een tent. Enerzijds hoef je niks uit te rollen, dat doet de wind wel voor je in een fractie van een seconde. Hier je tent uit handen laten schieten zou wel eens kunnen resulteren in een stijging van UFO-meldingen of apocalyptische voorspellingen bij waanzinnigen. Wil ik maar zeggen: ik heb er geen duur busticket voor over om mijn tent ergens van een schuurdak te schrapen.
Gedreven door nieuwsgierigheid en de zucht naar avontuur verdwijnen we in het rotsige landschap. We volgen een kronkelend paadje over scherpe stenen, tussen struiken en kleine wilgen. Het pad loopt uit op een uitgestrekte, dorre lava-steppe. Wat ook opvalt is het zwarte zand waar onze voeten in zakken tijdens het wandelen. Hier merken we meteen de sterke zwavellucht op die constant aanwezig zal zijn tijdens onze tochten doorheen het Myvatn-gebied, zelfs op grote hoogte.
Onze eerste bezienswaardigheid is een enorme aardscheur waar dampen uit ontsnappen. We volgen onze roekeloze hang naar spektakel en kruipen in de holte waaruit het stoom ontsnapt. Daar komen we aan helder groen water van zeg maar 47°C – 49°C, iets warmer dan een heet bad. Genoeg om in enkele seconden mijn brilglazen te herleiden tot twee ondoorzichtige oogschelpen. Ondertussen merken we hoe er een blik Duitsers achter ons opgetrokken wordt. Ze hebben zich eenvoudigweg laten afzetten door een buschauffeur (mag je ook figuurlijk interpreteren, deze locatie was écht niet ver van het dorp). Opeens staan ze allemaal achter me aan te drommen en ik kan niet via de makkelijke weg terug. Ik vind echter een kruiproute naar buiten en klauter als een stoere soldaat door de nauwe passage. Het trekt de aandacht van hun luie ogen en er zegt er eentje luchtig “Ik wist niet dat er nog een uitgang was”. Ik lach wat stuurs mee en net door die afleiding knàl ik met mijn hoofd tegen het rotsige plafond aan! Met mijn muts scheefgetrokken door de rotsige confrontatie verlaat ik het hol met lachende Duitsers. Ik heb zin om de remkabels van hun bus door te snijden en een post-it op het stuur van de chauffeur te kleven met “Nu gaan wíj eens lachen!”. De betekenis zou pas door hem heen dringen als het te laat is. Ik besluit om Reizenaar en Piet niet op de hoogte te brengen van mijn plan, want uit het niks opkomen met een moordplan om een lading Duitsers over het asfalt uit te smeren zou twijfels in de hand kunnen werken omtrent mijn psychische welgesteldheid.
We stappen flink door over vlakten en grillige rotsterreinen tot we aan de voet van de vulkaan Hverfjall komen. We beklimmen het hele gedoe en eens we boven zijn kijken we gelaten om ons heen naar het omringende landschap. Kleurrijke heuvels (grasgroen, oker, zalmrood), rookpluimen, meren en de wiskundig perfecte vorm van de krater. Reizenaar praat over een soort gezichtsbedrog door de
draaiende vormen van de krater. Namelijk dat de hele cirkel zou meebewegen als je star blijft kijken, of zoiets. Ik vermoed dat de zwaveldampen hun toxische tol geëist hebben en stel hem veligheidshalve gerust door te zeggen dat ik het ook zie. Op zo’n hoogte moet je het ook niet zitten zoeken, vind ik.
We dalen af richting Dimmuborgir (‘Duistere Burchten’), het buitenaardse rotslandschap waarvan wel eens beweerd werd dat het een graafschap van de fabelachtige trollen zou zijn. De rotsen zijn heel scherp, zelfs de fijnste puntjes zijn onbreekbaar met de blote hand. We kronkelen door de steile pasjes door het gesteente tot we bij de befaamde ‘Poort’ komen. We laten ons fotograferen en belonen ons lichaam met een oranje-appel. En dan is het uit met Dimmuborgir. Een baardige zonderling vertelt ons dat er nog routes zijn waarmee je nog uren in het landschap kan ronddwalen, maar die laten we voor wat ze zijn.
De volgende dag worden we opnieuw getrakteerd op lange pestbuitjes waardoor de planning wat van zich af laat weten. Uiteindelijk besluiten we om alsnog per bus via Krafla (waar we wat in het kratermeer Víti turen) naar Dettifoss te gaan. Dettifoss is de krachtigste waterval van Europa. Als ik je vertel dat er per seconde meer dan 500m³ water door dat tochtgat geperst wordt, laat je die zwembril dan nog even liggen? Een kilometertje verderop heb je nog Selfoss. Maar da’s slechts klein bier vergeleken met de bulderende brutaliteit van de 44 meter hoge Dettifoss. De mistige omgeving met omringende duistere silhouetten geven de troosteloze omgeving iets spookachtigs. De combinatie van neerslag en vochtige nevel die uit de kloof gejaagd wordt zorgt ervoor dat we doorweekt en druppelend neerploffen in
onze buszeteltjes. En dat allemaal ‘slechts’ voor 4000 IJslandse Kronen (€ 50!). Nadien smijten we ons desondanks alles in het dure Víkingbier in één of andere tent boven onze stand.
[kml_flashembed movie="http://www.youtube.com/v/doKVRZVz8z4" width="400" height="329" wmode="transparent" /]
De Dettifoss-waterval
De zondagochtend die erop volgt bestaat vooral uit het krampachtig vastklampen aan de thermische slaapzak. De tent schudt heen en weer en het wapperende zeil maakt een onregelmatig motorachtig geluid. Na een goed uur kunnen Piet en Reizenaar me overhalen om de donzen baarmoeder van me af te schudden.
Geeuwend slof ik mee naar de Nàmafjall-berg, gelegen in een geothermisch gebied dat een hele winkel aan vulkanische activiteiten bij zich heeft. We trekken de geelrode heuvels in en klimmen zo rondom rond tot het hoogste punt ervan.
Eens helemaal bovenaan onthult zich een prehistorisch landschap omheen het punt: scherpe rotseilandjes in de zee, egale heuvels met diepgroene tinten, onmetelijke lavavelden, gigantische kraters in de verte en vlakbij een kleurrijk zwavelgebied met blubberende modderputten (solfataren) en hete stoompokken (fumarolen). Het laatste gebied ligt aan de voet van de heuvel. Onze neuzen klieven door de sterke zwavelgeur en verkennen enthousiast de natuurlijke attracties verspreid
over de bonte vlakte. Putten met donkergrijze modder pruttelen als kokende pudding in een kom, terwijl de stoompokken een driftig blussend geluid maken. Dichtbij zo’n fumarole is de stoom erg heet, om maar te zwijgen over de penetrante geur die ervan uitgaat.
Op de terugweg naar het kamp ga ik nog eens van het traject af om een luidruchtige verdeelcentrale te bekijken. Je kan het geluid vergelijken met dat van een jetmotor. Van hieruit vertrekken tal van pijpleidingen door heen het landschap om de bevolking te voorzien van natuurlijk heet water. De stoom wordt met alle geweld uit een rood-witte schouw gejaagd. De hele grond rond de betonnen constructie trilt mee met de kadans van de machinerie die erin zit. Bij het verlaten van het gebied tast ik nog even voorzichtig aan een watervalletje met stomend water. De ideale douche-temperatuur! Ik zie af van het idee om het sijpelende watervalletje commercieel uit te buiten, want zeg nu zelf: een buitenlander op een klapstoeltje met een geldschaaltje in dit gebied, het is geen zicht.
Aan de tent worden we voor het slapengaan nog even getrakteerd op een gouden zonsondergang bij het meer Mývatn. Al gauw ontstaat er een koor van bliep- en klikgeluidjes van samentroepende fotografen aan de oever. Het is een magistraal afscheid van dit gebied. Morgen gaan we naar Breiðdalsvík, de baai van brede dalen. Dat belooft.
Zonsondergang aan het Myvatn-meer. ©2007 Piet Goethals








19 Comments
Dat geintje met die post-it op het ‘stuur’ is al eens uitgehaald met een ELAL-vliegtuig en een dubbele Gallerijflat in Amsterdam Zuidoost.
Kun je na gaan wat die piloten voor een vervelende lach hadden…
‘Strichtly Forbidden’, het zal toch eens níet een lui stagiair zijn die zich moet bezighouden het vertalen van Ijslandse waarschuwingstermen naar het edele Engels.
Ja, maar Duitsers moeten het ook snappen.
tekst, foto’s ‘t is wederom “brefteiking”
merci voor dit uitstapje op zondagmiddag
Dit is zeer goede maandagochtend lectuur!!! Soms is het echt wel goed opletten was je leest : ….Onze eerste bezienswaardigheid is een enorme aar(d)scheur waar dampen uit ontsnappen….
Prachtig die watervallen en zien we daar voor de eerste maal het gezicht van 1 van de Hanenwürgers?
Hey Tjoff wiens gezicht denk je dat op de avatar van Choinowski prijkt? met die neus?
Die van Riix?
En wie denk je dat er onder deze stoere pet schuilgaat?
De harses van Smeulders?!
ontopic mensen! Dit ging over IJsland! En het is helemaal niet te lang!
!!
Duvelman: Bedankt voor je immer motiverende reacties!
C-life: Hangt af van je ochtendritueel en de associaties die het de rest van de dag met zich meebrengt.
Tjoff: In vorige IJsland-verslagen zijn er reeds twee duidelijke HW-gezichten verschenen.
Ik sta ook in m’n avatar, zijn het in een wat religieuze houding.
Dettifoss was mijn eerste bestemming in het jaar 2004. De dag erop gingen we naar Mývatn. Ik was toen nog hevig ziek, de zwavelgeur maakte dat uiteraard niet beter, maar indrukwekkend was het wel. Ik heb even gezocht naar mijn eigen foto’s van dat jaar, uiteraard heb ik precies zo’n foto bij de poort van Dimmuborgir. Helaas niet bij de hand. Afgelopen zomer zijn we ook langs Mývatn gereden, volledig in mist gehuld. Dat was om een dagje te rekken voordat we naar Askja gingen. Het weer was die dag niet goed genoeg, een dag later bleken we bij Askja wel geluk te hebben.
Ons werd verteld dat een rit rond het meer van Mývatn niet zo spectaculair zou zijn, maar ik geloof ze niet. Er waren plannen om dit te doen maar, zoals je bovenaan kan lezen, had die planning niet te veel in de pap te brokken.
Tja, vanwege de mist zagen wij dus ook niet bijzonder veel. Al had dat op zich ook wel weer wat, die flarden. Persoonlijk vond ik de oostkant, langs Dimmuborgir, toch indrukwekkender dan de westkant, maar het was zeker interessant om het meer ook van de andere kant te bekijken.
Dergelijke weersomstandigheden kunnen het meer vast iets fabelachtigs geven. Sommige gebieden zijn zelfs mooier als ze niet alles prijsgeven.
I ghope you lif for longtime …
dat hoop ik ook beste Manuel….dat hoop ik ook….
Hoorde ik daar m’n neus?
Hahah juist ja! Er was daar een soort van instant-Iglesias in het plaatselijk zwemcomplex die één of ander Iers meisje wou binnendoen in het heetwaterbad. Ze vertelde dat ze een zware (hart-?) operatie ondergaan had in d’r jeugd en dat was zijn antwoord: “I ghope you live for a long time“. Daarna werd hij door ons rijkelijk getrakteerd op gevarieerde imitaties.